Zo bereiden we ons voor
We werken volgens een speciaal plan: het protocol Hoogwater. Daarin staat precies wat we doen bij verschillende waterstanden en weersomstandigheden. Een belangrijk meetpunt is het Normaal Amsterdams Peil (NAP) in Vlissingen. Vanaf een waterstand van NAP + 3,30 meter komt een waterschapsteam in actie. Dit team houdt de situatie goed in de gaten met een ‘waterbeeld’ en neemt zo nodig maatregelen. Als het nodig is, schalen we op. Dat doen we in verschillende fases:
• Fase 1: bij een waterpeil van NAP +3,30 meter gaan we naar staat van paraatheid. We treffen dan belangrijke voorbereidingen en eerste maatregelen.
• Fase 2: bij een waterpeil van NAP +3,70 meter (stormvloed) stellen we dijkbewaking in. Dijkwachtploegen gaan dan op pad.
• Fase 3: bij een waterpeil van NAP +4,10 meter (extreem hoogwater) stellen we uitgebreide dijkbewaking in. We werken dan met maximale inzet en controle.
Inspecties en voorzorg
Belangrijk is natuurlijk vooral om de staat van de waterkeringen te controleren. Onze dijkwachten inspecteren verder op schade aan dijken, zoals piping. Dat is als water onder de dijk door stroomt en zand meeneemt. Ook kijken we of de Oosterscheldekering dichtgaat. Als dat gebeurt, zijn sommige dijken automatisch beter beschermd. Is de storm niet zwaar genoeg of wordt het normpeil niet verwacht en blijft de kering open? Dan kunnen wij besluiten om bepaalde coupures als voorzorg wel of niet dicht te doen.
Nauwe samenwerking
Het waterschap is goed voorbereid en werkt volgens vaste protocollen. Er wordt nauw samengewerkt met Rijkswaterstaat, gemeenten en de Veiligheidsregio. En na de storm? Dan inspecteren onze collega’s de dijken en werken zorgvuldig. Bijvoorbeeld om te zien of er sprake is van duinafslag. Eventuele schade wordt direct aangepakt, zodat alles weer veilig is.